X-tra


Filmpje's Documenten De favorieten van.. Diversen

Documenten


 Faalangst

Je hebt allerlei soorten angst. Iedereen is wel eens angstig. Mensen kunnen in allerlei situaties angstig zijn. Je kunt angstig zijn voor spinnen, of bijvoorbeeld voor hoogte. Ook kun je bang zijn dat iets niet gaat lukken, om te falen. Dat je b.v. je kür vergeet, of dat je je sprongen valt. Als dit regelmatig voorkomt, en deze gedachte gaat overheersen zeggen ze in het algemeen dat je faalangst hebt. Kinderen hebben vaker last van faalangst dan volwassenen. 20 % van alle kinderen heeft er wel eens last van.

Je kunt in verschillende situaties last hebben van faalangst. Faalangst komt veel voor op school. Dat komt omdat kinderen op school steeds moeten presteren. Kinderen krijgen beurten en toetsen. Leerlingen met faalangst zijn bang dat ze bepaalde dingen niet kunnen. Ze denken van tevoren dat ze het niet redden. En juist door die angst lukt het dan meestal niet. Het is beslist niet zo dat kinderen met faalangst dom zijn of hun best niet doen. Maar tijdens bijvoorbeeld een proefwerk weten ze niets meer en kunnen alleen nog maar aan vervelende dingen denken.

Als b.v. Jantje zijn moeder hem overhoort weet hij alles. De faalangst komt pas tijdens de toets. Hij is bang dat hij een onvoldoende haalt. Hij is bang voor een slecht rapportcijfer. Hij is bang dat hij uitgelachen wordt. Hij is bang dat zijn moeder en de meester boos zijn. Hij wordt door al deze gedachten alleen nog maar angstiger. Hij weet van wat hij geleerd heeft helemaal niets meer en haalt een slecht cijfer.

Bij faalangst reageert ook je lichaam. Je hart begint sneller te kloppen. Je begint te zweten. Je hebt een vervelend gevoel in je buik. Kinderen en grote mensen met faalangst praten er niet graag over. Ze vinden het moeilijk om over te praten. Ze praten liever over dingen waar ze goed in zijn.

Er zijn drie soorten faalangst:

Cognitieve faalangst: Dat is faalangst die met je verstand en dingen die je geleerd hebt te maken heeft. Dat is zoals met het proefwerk wat je geleerd hebt en waarvan je tijdens het proefwerk niets meer weet.

Sociale faalangst: Dat is faalangst die te maken heeft met de omgang met mensen. Je bent dan bang voor wat de mensen van je denken. Je bent dan bijvoorbeeld bang om bij mensen wat te zeggen. Of bang als je bijvoorbeeld boodschappen gaat doen dat je vergeet wat je moet kopen en de mensen je uitlachen.

Motorische faalangst: Dat is faalangst die te maken heeft met de manier waarop je beweegt. Je bent dan bijvoorbeeld bang bij de gymles. Dat je bijvoorbeeld niet over een bok kan springen, het lukt dan ook niet.

Meestal weet je niet hoe je aan faalangst komt. Soms kan als je iets vervelends meemaakt ervoor zorgen dat je faalangst krijgt. Als je bijvoorbeeld een blunder maakt voor de klas en de hele klas en de meester lachen je uit. Of je ouders hebben zeggen bijvoorbeeld vaak dat je iets niet goed doet. Je krijgt bijvoorbeeld nooit een compliment.

Mensen met faalangst denken vaak slecht over zichzelf. Bijvoorbeeld; Ik kan niets en ik stel niets voor. Als kinderen met faalangst een slecht cijfer halen zeggen ze vaak: Zie je wel dat ik het niet kan. Als ze een goed cijfer halen denken ze dat ze gewoon geluk gehad hebben. Als je faalangst hebt heb je dus weinig zelfvertrouwen.

Als je faalangst hebt onderschat je jezelf vaak. Je denkt dat je minder goed bent dan dat in werkelijkheid zo is. Ze voelen zich minder dan anderen. Vaak zijn mensen met faalangst niet alleen angstig en zenuwachtig, maar ook verdrietig en boos. Ze bekijken alles vaak van de slechte kant. Bijvoorbeeld ik haal toch een slecht cijfer of ik kan toch niet over die bok springen.

Je raakt faalangst vaak pas kwijt nadat je een aantal goede resultaten hebt behaald. Als je bijvoorbeeld een paar keer een voldoende voor een proefwerk hebt gehaald of je hebt verschillende keren een mooie kür gereden. Goede prestaties zul je zelf moeten leveren. Er zijn wel tips om de kans op faalangst te verminderen.

Zo zijn er nog meer tips. Als je deze tips toepast wordt de kans dat je faalangst krijgt kleiner. En zo kom je er later hopelijk helemaal vanaf. Heb je vragen? Vraag het je ouders, je trainer of iemand anders waarmee je makkelijk praat.

terug   volgende